Hoe steekt de inzetvrije periode in elkaar?

Bij een RMI-1-inzet kun je rekenen op een inzetvrije periode van tweemaal het aantal dagen waarop je bent ingezet en bij een RMI-2-inzet op een inzetvrije periode van een half maal jouw inzet. Aanvullend moet je opgeteld 180 dagen ingezet zijn in een tijdvak van 365 dagen. Hierbij maakt het niet uit of je betrokken was bij een RMI-1- of RMI-2-inzet. Je telt deze gewoon bij elkaar op.

Als je 180 dagen inzet hebt behaald in de voorgaande 365 dagen, dan verwerf je het recht op een inzetvrije periode. Die periode gaat in na de inzet waarin je deze 180 dagen hebt behaald. Je kunt er zelf voor kiezen om de periode direct of later te laten ingaan.

Je kunt het verworven recht op een inzetvrije periode ook ‘opknippen’ in verschillende periodes. Deze periodes mogen echter nooit korter zijn dan 30 aaneengesloten dagen.