8 mei 2026

Alsnog inverdientijd voor MARVER-lid

De inzet van een MARVER-lid dat voor de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB) jarenlang betrokken was bij de beveiliging van Nederlandse diplomatieke posten en diplomaten in gevaarlijke gebieden zoals Tripoli en Bagdad wordt alsnog meegeteld als inverdientijd. Na een door ons ingediend bezwaar oordeelde de rechtbank dat zijn inzet dusdanig zwaar en onregelmatig was, dat normale arbeidstijdenregels een goede taakuitoefening zouden hebben belemmerd. Hiermee voldoet ons lid aan de voorwaarden voor inverdientijd vanaf 2017.

Ons lid verzocht Defensie eerder tevergeefs om bovengenoemde BSB-inzet onder het zogeheten BZ-convenant tussen Defensie en het ministerie van Buitenlandse Zaken te laten meetellen als inverdientijd op basis van artikel 39c lid 2 onder c van het AMAR. Volgens dit artikel komen niet alleen VVHO-inzetten, maar ook andere vormen van buitenlandse inzet hiervoor in aanmerking. Voorwaarde hierbij is dat deze langer dan 7 dagen moeten zijn en dat de regels uit de Arbeidstijdenwet (ATW) of hoofdstuk 7 van het AMAR buiten werking dienen te zijn gesteld.

Ander standpunt
Aanvankelijk benadrukte Defensie dat dit bij ons lid het geval was, maar dat er financiële en organisatorische redenen waren om hem geen inverdientijd toe te kennen. Tijdens de beroepsprocedure veranderde Defensie van standpunt. Volgens Defensie waren de gebruikelijke arbeidstijdenregels wél van toepassing, omdat deze nooit buiten werking zijn gesteld. Wij betoogden vervolgens dat er – in tegenstelling tot wat Defensie beweerde – bij persoonsbeveiliging op gevaarlijke locaties simpelweg niet volgens deze regels kan worden gewerkt.

Verklaringen 
Tijdens de procedure verdiepte de rechter zich in de omstandigheden in de genoemde crisisgebieden. Hiervoor zijn de verklaringen van de betrokken BSB-collega’s uitvoerig meegewogen. Zij beschreven hoe collega’s soms 24 uur achtereen paraat moesten staan onder primitieve en dreigende omstandigheden. Hoewel lokale beveiligers soms een deel van het werk uitvoerden, lag de eindverantwoordelijkheid bij de Nederlandse BSB'ers. Zij hadden nauwelijks gegarandeerde rustperiodes. In zijn oordeel betrok de rechter de evacuatie tijdens de val van Kaboel. Militairen die daar actief waren onder het BZ-convenant deden hetzelfde werk als collega’s die onder de VVHO vielen. Desondanks hadden zij een slechtere rechtspositie.
De MARVER is uiteraard heel blij met het behaalde resultaat, maar het is nog niet definitief. Defensie kan namelijk nog hoger beroep instellen. 

Ben jij actief bij de BSB en was je vanaf 2017 betrokken bij buitenlandse inzetten van meer dan 7 dagen onder het BZ-convenant? Dien dan een rekest in om deze inzetten te laten meetellen voor jouw inverdientijd. Wil jij dat onze afdeling individuele belangenbehartiging jou hierbij helpt? Stuur dan een mailtje met jouw staat van dienst naar ib@marver.nl

Meer over:
AVW